interview met Prof. Matthias E. Storme
n.a.v. de publicatie van zijn lezing in het boek van het davidsfondscongres 2002: "Tolerantie",
door Benoit Lannoo, Tertio 16 oktober 2002
Toen Matthias Edward Storme aan de Amerikaanse Yale University filosofie studeerde inmiddels is hij professor privaatrecht in Leuven en Antwerpen geworden , maakte hij daar deel uit van een dispuutclub. En zong hij er gretig het clublied mee: Lets go back to Aristotle, nothing happened ever since. Want inderdaad, sinds Aristoteles Ethica Nicomachaea kunnen we er niet omheen: elke deugd houdt het midden tussen twee ondeugden, tussen een teveel en een tekort.
Zo ook de deugd van de verdraagzaamheid. ,,Tolerantie, zegt Storme, ,,verhoudt zich niet tot intolerantie als wit tot zwart. Dat onverdraagzaamheid alleen slaat op wie zijn wil oplegt aan de anderen en dat al wie het anders-zijn, anders-denken of anders-handelen van de anderen aanvaardt, zonder meer verdraagzaam kan worden genoemd, dat is te simplistisch. Op het ledencongres van april vorig jaar vroeg het Davidsfonds de specialist privaatrecht om het over de tolerantie te hebben. Onder de titel Vlaamse Beweging. Welke toekomst? verscheen net het verslagboek van dat congres.
Nu viel de keuze voor het houden van een uiteenzetting over de verdraagzaamheid niet toevallig op Matthias E. Storme. De jonge professor is een briljant jurist en scherp debater, en bovendien kent hij de Vlaamse Beweging van binnenuit. Storme leidt het Verbond van Vlaamse Academici en is oud-voorzitter van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen. De geknipte man dus om ook de delicate verhouding ter sprake te brengen van nationalisme enerzijds en tolerantie of intolerantie anderzijds.
,,Verdraagzaamheid is meer nog dan andere deugden een complexe aangelegenheid, legt Storme uit. ,,Tolerantie houdt het midden tussen enerzijds de klassieke onverdraagzaamheid die gebaseerd is op verschilligheid en anderzijds een daaraan tegengestelde en veel minder onderkende intolerantie, gebaseerd op onverschilligheid. Want achter elke ware tolerantie schuilt noodzakelijkerwijze een spanning, de spanning tussen het eigene en het andere.
Klassieke onverdraagzaamheid stelt het eigene voorop: de eigen persoon (egoïsme); de eigen opvattingen (politieke intolerantie); de eigen godsdienst, moraal of levensbeschouwing (ideologische intolerantie); het eigen volk (racisme) of zelfs het eigen geslacht (seksisme). Maar wanneer de balans naar de andere pool overslaat wanneer met andere woorden alle opvattingen, waarden of houdingen als absoluut even waar worden beschouwd als de eigen opvattingen, waarden en houdingen , kan evenmin van ware tolerantie sprake zijn.
,,Verdraagzaamheid impliceert immers een verschil tussen het eigene en het andere, aldus Storme. ,,Voor wie zich tolerant opstelt telt het andere mee, maar dat andere hoeft daarom niet meteen gelijk te staan met het eigene.
Nu bestaat er zowel passieve als actieve onverdraagzaamheid. Passieve tolerantie betekent dat je het bestrijden of verdrijven van een of ander beschouwt als een groter kwaad dan het verdragen ervan. De modieuzere term daarvoor gedogen mag ons niet doen vergeten dat de praktijk eigenlijk eeuwenoud is.
Niet alleen de klassieke islamitische plichtenleer maakt een verschil tussen wat verboden, wat onverschillig en wat afkeurenswaardig maar toch niet verboden is. Ook het middeleeuwse canonieke recht gedoogde pakweg de joden of zelfs prostituees in de steden die laatste mochten hun vak uitoefenen in maisons de tolérance. Net zoals protestantse regimes na de bloedige godsdienstoorlogen katholieken binnen de landsgrenzen hebben getolereerd en zij het met enige vertraging katholieke regimes ook hun gereformeerde onderdanen niet langer hebben vervolgd.
,,Maar het gaat hier telkens om het gedogen van wat wel degelijk als kwaad wordt beschouwd, legt Storme uit. ,,Actieve tolerantie daarentegen gaat ervan uit dat een zekere pluraliteit aan opvattingen, culturen en tradities geen verarming maar een verrijking inhoudt wat daarom nog niet per se wil zeggen dat elke andere opvatting of traditie afzonderlijk als verrijkend wordt beschouwd.
Verrijking is inderdaad een vlag die vele ladingen dekt. Een motivatie voor actieve verdraagzaamheid kan bijvoorbeeld de overweging zijn dat ethische overtuigingen aan waarde verliezen als ze afgedwongen worden, dat er van moraliteit maar sprake is als het individu over een zekere vrijheid beschikt om zelf al dan niet bepaalde morele keuzes te maken. Dit is lang niet hetzelfde uitgangspunt als dat van wie elke opvatting zo relatief acht dat ze niet opweegt tegen andere opvattingen en die daarom al die relatieve opvattingen op dezelfde hoogte plaatst.
Storme wijst in dit verband op een merkwaardige paradox: hoewel ze doorgaans op minder sympathie kan rekenen dan de actieve verdraagzaamheid, is passieve tolerantie een complexere deugd en misschien zelfs een hogere vorm van verdraagzaamheid dan de actieve. ,,Getuigt het immers niet van een meer gelede kijk op het leven als je in staat bent op genuanceerde wijze om te gaan met wat je fundamenteel verkeerd vindt?
Deze gedachte lijkt moeilijk te verkopen. ,,Zon passieve tolerantie wordt al snel gelijkgesteld met jezuïtische dubbelzinnigheid of huichelarij, weet Storme. ,,Dat is intellectueel oneerlijk. Want als je ervan uitgaat dat een bepaalde alteriteit hoe dan ook moet worden getolereerd, is het maar al te makkelijk jezelf achteraf wijs te maken dat je dat andere niet alleen duldt omdat dulden ervan een minder kwaad is, maar tevens omdat het andere zelf verrijkend is. Of hoe achter actieve tolerantie soms grote onverschilligheid verborgen gaat.
Nu zijn er wel degelijk zaken die moreel indifferent zijn waar onverschilligheid dus op haar plaats is en waaromtrent het niet past de ene opvatting of handeling hoger in te schatten dan de andere. Het klassieke voorbeeld? Rechts of links houden op de weg. Want op zichzelf is rechts rijden niet beter dan links rijden.
Maar in een samenleving die collectief voor rechts rijden heeft gekozen, is het manifest wel aangewezen om rechts te houden op de weg. Niet toevallig wordt afwijkend gedrag in deze moreel indifferente aangelegenheid dan ook absoluut niet getolereerd. Er hangen immers mensenlevens vanaf. Zo zie je maar: onverdraagzaamheid is soms te verkiezen boven onverschilligheid.
Storme: ,,Dit triviale voorbeeld moet ons hoeden voor de simplistische vooronderstelling dat de graad van verdraagzaamheid die je aan de dag moet leggen van onverschilligheid over actieve en passieve tolerantie tot intolerantie afhangt van het particuliere dan wel universele karakter van de norm die in het geding is. Uiteindelijk gaat het altijd om fundamentele aangelegenheden zoals de bescherming van het leven er bij uitstek een is , maar vaak hangen die in grote mate af van particuliere normen en instituties en van het respecteren daarvan.
,,Soms is dat verband vrij gemakkelijk in te zien, zoals in het voorbeeld van de verkeersregels, gaat Storme verder. ,,Maar vaak is het verband tussen het particuliere en het universele veel minder inzichtelijk. Zo worden vaak normen en instituties als particularistisch of achterhaald overboord gegooid, omdat simpele geesten er in hun rationalistische eigenwaan het belang niet van inzien.
Wie wel aan die particuliere normen of instituties vasthoudt, wordt meteen verweten intolerant te zijn. ,,Maar het is niet omdat elk van de particuliere elementen die samen een complexe traditie vormen, op zichzelf contingent is, legt Storme uit, ,,dat er geen nood is aan zon particuliere tradities. Er is immers geen universele traditie denkbaar; alleen in particuliere tradities wordt het universele reëel dit is: tastbaar.
Een gemeenschap distantieert zich per definitie altijd van de rest van de wereld, door eigen tekens te ontwikkelen en het bestaan in gemeenschap vanuit die tekens te beleven, door een eigen identiteit uit te bouwen en die in stand te houden. Natuurlijk verrijkt een gemeenschap zich ook via uitwisseling met andere gemeenschappen, maar in die uitwisseling cultiveert ze meteen haar eigenheid en verweert zich aldus tegen het opgaan in het universele.
In het hedendaagse politiek correcte denken nu, wordt tolerantie steeds vaker gedegradeerd tot onverschilligheid en relativisme. Het eigene wordt geacht volkomen egaal te zijn aan al wat anders is en het andere volkomen inruilbaar met het eigene.
,,De overspanning van de klassieke intolerantie en de spanning van de ware tolerantie hebben plaatsgemaakt voor loutere banalisering, zegt Storme. ,,Je wordt geacht morele opvattingen aan of uit te kunnen trekken als ordinaire kledingstukken; culturele tradities verworden tot consumptieproducten uit de eerste de beste zelfbedieningszaak. En enigszins provocerend voegt de academicus eraan toe: ,,De geesten staan inmiddels zo open dat de hersenen er dreigen uit te vallen.
Want op de keper beschouwd riskeer je inderdaad als intolerant te worden bestempeld als je de moderne geneeskunde beter vindt dan de praktijken van een kwakzalver. En misschien getuig je wel van fundamentele onverdraagzaamheid als je de inhumane vrouwenbesnijdenis niet evenveel waard acht als de moderne rechten en vrijheden.
,,De political correctness verbiedt om je eigen, particuliere waarden beter te vinden, stelt Storme vast. ,,Elke verdediging van de eigen opvattingen wordt gecriminaliseerd tot een belediging van de anderen: wie de eigen cultuur bejubelt, is xenofoob; wie voor de eigen godsdienst opkomt, is islamofoob; wie opvattingen over het privé-leven verdedigt die ingaan tegen het moreel subjectivisme, is homofoob; noem maar op.
Pro memorie: ware tolerantie is geen absolute waarde, zij houdt het midden tussen het verwerpen van alle verschil enerzijds en absoluut indifferentisme anderzijds. ,,Maar tegenwoordig wordt ons een actieve onverschilligheid opgelegd, zegt Storme, ,,een intolerantie tegenover elke verschilligheid. We worden verplicht om alles even waar en evenwaardig te vinden en verboden om de eigen identiteit nog langer te verdedigen.
Deze vorm van tolerantie die alleen zichzelf tolereert, is bijzonder intolerant. ,,Anti-tolerantie, noemt Storme ze, en nog: ,,Een ware fobomanie. Volgens de professor verbergt ze trouwens doorgaans een fundamentele weigering om over bepaalde maatschappelijke problemen een ernstig debat op te zetten. Zo wees ook de Franse filosoof Alain Finkelkraut er in zijn boek Lingratitude (1999) al op dat een obsessioneel antiracisme het onmogelijk dreigt te maken om andere culturen en vreemde opvattingen te leren kennen en erover te discussiëren, zelfs opvattingen uit eender welke vroegere periode van onze eigen cultuurgeschiedenis. Een argumentatie over het andere kan immers altijd aanleiding geven tot een vervolging in rechte.
,,Wie zich nu nog met een culturele traditie durft vereenzelvigen, weet Storme nog, ,,wordt meteen medeplichtig aan alle discriminaties waaraan die traditie schuldig wordt geacht. Filosofen, kunstenaars, veldheren, heiligen en wetenschappers uit onze cultuurkring moeten er een voor een aan geloven, want allen hebben ze zich ergens ooit xenofoob, islamofoob, homofoob of wat-dan-ook-foob uitgelaten. Voor de fobomanen is de geschiedenis een instrument om af te rekenen met al wie hun multi-nihilistische project in de weg staat.
De tijdgeest is wie de eigen identiteit verdedigt dus niet gunstig gezind, laat staan wie voor een nationale identiteit opkomt. Is het niet bon ton geworden om met name het nationalisme over dezelfde kam als de intolerantie te scheren? ,,Ik sluit niet uit dat de manier waarop het nationalisme beleefd wordt, soms intolerant is, zegt Storme, ,,maar dat wil niet zeggen dat er een inherente tegenstelling is tussen tolerantie en nationalisme. Integendeel, een verstandig nationalisme is een geïnstitutionaliseerde tolerantie.
Het is andermaal een stelling die enige uitleg verdient. Ook wie ervan uitgaat dat verscheidenheid aan opvattingen en culturen een rijkdom is en geen verarming het uitgangspunt van de actieve tolerantie kan daarmee de verdraagzaamheid in een complexe samenleving als de onze nog niet meteen op universele waarden enten. ,,Integendeel, je dient de tolerantie in particuliere sociale verhoudingen te institutionaliseren, zegt Storme.
Dat institutionaliseren van de verdraagzaamheid gebeurt via twee verschillende rechtsmodellen, die elk hun eigen waarde hebben en vaak parallel naast elkaar functioneren: de bescherming van een aantal fundamentele vrijheden enerzijds, en de collectieve autonomie of het nationalisme anderzijds.
De vrijheid van meningsuiting, van drukpers, van vereniging, van godsdienst, van onderwijs, het zijn volgens Storme allemaal uitingen van geïnstitutionaliseerde tolerantie. ,,Men heeft het vaak over de rechten van de mens, maar ik gebruik liever de term fundamentele vrijheden, omdat die concreter maakt waarover het ten lange laatste gaat.
De fundamentele vrijheden zijn de vertaling van het inzicht dat wellicht niemand de waarheid in pacht heeft en dat pluraliteit een meerwaarde voor de samenleving kan betekenen. Daarom wordt voor verschillende opvattingen en levenswijzen plaats geruimd de ruimte van het privaatrecht. Soms worden die verschillende opvattingen en levenswijzen zelfs gepromoot.
,,Natuurlijk zijn die vrijheden niet onbeperkt, geeft Storme toe. ,,De door fundamentele vrijheden geïnstitutionaliseerde tolerantie reikt tot waar ze de minimale cohesie binnen een democratische samenleving niet in gevaar brengt. De vrijheid in de private sfeer mag de samenleving met andere woorden niet volkomen balkaniseren.
,,Maar de fundamentele vrijheden dreigen bij ons nu soms in de verdrukking te komen, argumenteert Storme. ,,Al draag ik in de huidige politieke context niet bijster graag dat etiket, mag je mij in deze gerust een liberaal noemen: een te verregaande beknotting van de autonomie van het vrij onderwijs bijvoorbeeld, brengt de vrijheid van onderwijs in het gedrang en getuigt dus van intolerantie.
De gevaarlijkste ontwikkeling op dat vlak is volgens Storme de toepassing van het non-discriminatiebeginsel op private verhoudingen. ,,Dat is pervers. In de grondwet is het non-discriminatiebeginsel fundamenteel, maar daar gaat het om de publieke verhoudingen. De overheid moet alle burgers inderdaad gelijk behandelen. Maar het is essentieel dat ik persoonlijk wel mag discrimineren in wat ik denk en zeg, anders heeft de vrijheid van meningsuiting niet de minste betekenis meer.
Terug naar het nationalisme. Wil je de tolerantie via het stelsel van de fundamentele vrijheden kunnen institutionaliseren, dan heeft de gemeenschap waarin je dat doet nood aan een minimum aan sociale cohesie. ,,En ook een zekere culturele samenhorigheid, voegt Storme eraan toe, ,,een minimum aan gedeelde waarden en attitudes.
Wat niet wil zeggen dat binnen een unitaire staatkundige structuur geen socio-culturele verscheidenheid overbrugd kan worden. Je hebt landen waar vele uiteenlopende volkeren door elkaar leven, terwijl de onderlinge verschillen door het gros van hen als relatief beperkt worden ervaren. Het klassieke voorbeeld: de Verenigde Staten. ,,In Amerika wordt de etnische samenhorigheid niet vertaald in politieke structuren, wel in een consequente beleving van de vrijheid van vereniging. Elke bevolkingsgroep doet binnen zijn eigen organisaties precies wat hij wil.
,,Leven met socio-culturele diversiteit zonder die in staatkundige autonomie te vertalen, kan dus wel, zegt Storme, ,,maar het wordt moeilijker naarmate de culturele verschillen groter zijn en ze langs een beperkt aantal breuklijnen zijn geconcentreerd. Want hoezeer de yankee uit New-York op het eerste zicht verschilt van de mormoon uit Salt Lake City, de latino uit San Francisco of de Afro-Amerikaan uit Atlanta, ze geloven allemaal in dezelfde American Dream.
Maar als op eenzelfde territorium verschillende autochtone bevolkingsgroepen naast elkaar leven die cultureel onvoldoende met elkaar verbonden zijn, heb je meer nodig dan de burgerlijke vrijheden om de verdraagzaamheid gestalte te geven. Dan heb je ook een of andere vorm van collectieve autonomie van doen.
,,Het gaat hier dan om autonomie die de private sfeer overstijgt, stipt Storme aan, ,,om staatkundige autonomie dus. Die heb je dan alvast nodig om je sociaal-economische solidariteit te organiseren. De sociale zekerheid is immers geen private aangelegenheid, je bent verplicht bijdragen te betalen. Welnu, in een samenleving die is versplinterd in bevolkingsgroepen die menen niets met elkaar gemeen te hebben, bestaat daar onvoldoende draagvlak voor.
Aan welke bevolkingsgroep verleen je dan zon collectieve autonomie? ,,Antropoloog Eugeen Roosens heeft uitvoerig het beginsel van de primordiale autochtonie beschreven, antwoordt Storme. ,,Overal ter wereld en in zo goed als alle culturen, wordt aan de bevolkingsgroep die zich ergens het eerst vestigde, voorrang gegeven bij het bepalen van de publieke rechtsregels. Daar is trouwens niets intolerants aan, zolang aan de nieuwkomers de vrijheid wordt gegund anders te zijn binnen de grenzen waarbinnen ook de autochtonen van opvatting en levenswijze kunnen verschillen. Binnen de grenzen van de fundamentele vrijheden, dus.
LUDO SIMONS e.a., Vlaamse Beweging. Welke toekomst? Davidsfonds, Leuven, 180 blz., € 16,95. Bestellen kan via www.tertio.be.