Het totalitair en fundamentalistisch karakter van een voorgesteld diskriminatieverbod.

Die Gedanken sind frei - maar hoelang nog ?

uit: Denkmeekrant CVP-jongeren, juni-juli 1996, p. 2-3

door Matthias E. Storme

Inleiding

Op deze opiniepagina verwoord ik mijn kritiek (1) op het wetsvoorstel-Landuyt (eertijds Willems-Landuyt) "ter bescherming tegen diskriminatie op grond van geslacht, seksuele of relationele voorkeur". Deze kritiek is samengevat dat het voorstel - zoals elk soortgelijk anti-diskriminatievoorstel - :
a) radikaal pervers is zowel voor de private als voor de publieke sfeer, in de eerste door het afschaffen van enkele der meest fundamentele vrijheden, in de tweede doordat het een onvoorstelbare diskriminatie invoert van al wie géén "bijzondere" seksuele of relationele voorkeur (of ander bijzonder kenmerk, zoals huidskleur, afkomst, en zo verder in te vullen naar eigen godsvrucht en vermogen);
b) en waar het dat niet is, nl. in zoverre het ongerechtvaardigde diskriminatie door de overheid zou bestrijden, volkomen nutteloos is.

Als men naar de tekst van dit voorstel kijkt - en daarover moet het gaan, niet over zogezegde goede bedoelingen waarmee de weg naar de hel ook is geplaveid - dan gaat het niét over het wegwerken van ongerechtvaardigde ongelijkheden, maar wel over het opleggen aan éénieder van een welbepaald mensbeeld, namelijk de totalitaire versie van de vrijzinnigheid (er bestaat gelukkig ook nog een andere vrijzinnigheid), nauwkeuriger nog de ideologie door de marxist Herbert Marcuse verdedigd onder de naam partisan-tolerance of discriminate-tolerance. Deze zogezegde tolerantie diskrimineert tussen "korrekten" en "inkorrekten", tussen wat volgens hén demokratisch is en wat volgens hén ondemokratisch is. Zij is intolerant jegens de traditie, de traditionele waarden en de groepen die zich op de traditie durven beroepen, en tolerant jegens alles wat de traditie uitschakelt en tegenover de voortschrijdende vervuiling van ons geestelijk en kultureel leefklimaat. Het gaat niet om tolerantie tegenover uiteenlopende morele opvattingen, maar om intolerantie tegenover de moraal als dusdanig (volgens het westvoorstel wordt eenieder verplicht om elke seksuele of relationele voorkeur als etisch neutraal te aanvaarden, d.w.z. om elke etische waardering ervan af te schaffen). Het gaat niet om tolerantie tegenover uiteenlopende godsdiensten, maar om intolerantie tegenover de godsdienst als dusdanig. Het gaat niet om de gelijkheid van mannen en vrouwen, maar om de afschaffing van de eigenheid van de man en de afschaffing van de eigenheid van de vrouw. Het is opnieuw een stap in de richting van de totale gelijkschakeling, de totale homogenizering van de mens.

a) ten aanzien van de overheid


Het diskriminatieverbod waarop de auteur zich beroept, en dat onder meer te vinden is in art. 10 van de grondwet, betreft alleen de overheid alsook private instellingen met een monopoliepositie : het gaat om gelijkheid voor de wet en voor de openbare dienst. Dat de demokratische rechtsstaat wordt verkracht door dit ook tussen partikulieren te laten gelden, wordt verder aangetoond. Maar ook wat de overheid betreft, wordt het diskriminatieverbod in hun wetsvoorstel volkomen verkracht. Het wetsvoorstel geeft namelijk voor mensen met een bijzondere seksuele en relationele voorkeur een afwijkende, met name veel ruimere definitie van diskriminatie, en schept daardoor een voorkeursbehandeling voor die kategorie. Volgens de rechtspraak van zowel ons Arbitragehof, als het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap als het Europees Hof voor de Rechten van de mens, omvat diskriminatie namelijk enkel een ongelijke behandeling die niet gerechtvaardigd is :

"De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discri-mi-natie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde kategorieën van personen zou worden ingesteld, voorzover het kriterium van onderscheid een objektieve en redelijke verantwoor-ding bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet wor-den beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel "(2).

Stel daartegenover de voorkeursbehandeling van bijzonder seksueel geaarden door het wetsvoorstel : "elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel heeft of ten gevolge heeft of kan hebben dat erkenning, het genot of de uitoefening van de (rechten ....) wordt teniet gedaan, aangetast of beperkt"(3) . Wég dus de gerechtvaardigde verschillen in behandeling : zij worden strafbaar, en zelfs enkel de uiting van zijn voornemen ertoe kan U één jaar gevangenisstraf opleveren ! Als dit geen marxistische partisan-tolerance is ...

Wil men daarentegen enkel tegen ongerechtvaardigde diskriminatie beschermen, dan is de wet nutteloos : die bescherming vloeit reeds voort uit de grondwet, en kan worden gesanktioneerd met alle gemeenrechtelijke rechtsmiddelen (verbod en schadevergoeding inbegrepen).

Als wij ons vervolgens bezinnen over de vraag welke ongelijkheden vanwege de overheid kunnen worden gerechtvaardigd zijn en welke niet, dan herinner ik er aan dat het handelen van de mens nooit etisch neutraal is, steeds een bepaalde waarde heeft. Dit geldt vanzelfprekend ook voor de relationele voorkeur en beleving. Wanneer vanuit een kristendemokratische inspiratie benadrukt wordt dat bepaalde menselijke gedrags- of levensvormen - b.v. het huwelijk - een waarde vormen, dan houdt dit noodzakelijk in dat zij in bepaalde opzichten mogen worden begunstigd en dat de ongelijke behandeling, door de overheid, van andere vormen, in sommige gevallen - met name mits de nodige evenredigheid wordt geëerbiedigd - gerechtvaardigd is. Een wetsvoorstel dat elke voorkeursbehandeling voor gehuwden verbiedt en straft (nota bene zelfs tussen partikulieren !) (4) is dan ook in strijd met kristendemokratische waarden.

Verder moeten bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een diskriminatie naast de rechten ook de plichten worden betrokken. Men schijnt te vergeten dat b.v. het huwelijk ook plichten inhoudt. Niet-gehuwden qua rechten gelijkstellen met gehuwden, zonder hen dezelfde plichten op te leggen, is dan ook een onaanvaardbare diskriminatie van de gehuwden.

b) tussen partikulieren


Wat de verhoudingen tussen partikulieren betreft, is het wetsvoorstel nog stukken perverser. Een demokratische rechtsstaat is namelijk gebouwd op de eerbied voor fundamentele rechten en vrijheden, waardoor aan elke mens een ruimte wordt gegeven waarbinnen hij zich naar eigen godsvrucht en vermogen kan gedragen en ontplooiien. Deze rechtsvrije ruimte wordt gegarandeerd door de vrijheid van meningsuiting, overtuiging, godsdienst en geweten, de vrijheid van vereniging, de kontraktsvrijheid als vrijheid te kontrakteren met wie ik wil, e.d.m. Onder het mom van het diskriminatieverbod worden al deze vrijheden door het wetsvoorstel op grove wijze met de voeten getreden (5), en dit opnieuw met een onvoorstelbare partisan-tolerance.

Nu is het natuurlijk juist dat die vrijheden niet mogen worden gebruikt om andermans vrijheden te schenden, en dat het in gemeenschap leven van mensen meebrengt dat eenieders vrijheid wederzijds moet worden begrensd door die van de anderen. Maar omgekeerd houdt zo'n vrijheid noodzakelijk in dat men binnen die begrenzing mag diskrimineren zoveel men wil, d.w.z. dat men een onderscheid mag maken tussen personen met wie men al dan niet wil kontrakteren, met wie men zich al dan niet wil verenigen, wiens mening me al dan niet deelt, enzovoort. De menselijke waarden waarop onder meer de CVP zich steunt, impliceren noodzakelijkerwijze diskriminatie, juister gezegd een ongelijke behandeling die ik tegenover derden (overheid inbegrepen) niet hoef te rechtvaardigen. Als ik huw heb ik geen verantwoording af te leggen over de keuze van mijn partner, zeker niet aan anderen die zich daardoor benadeeld voelen, als ik een vereniging opricht (zonder monopoliepositie) heb ik geen verantwoording af te leggen over de keuze van mijn mede-oprichters, als ik vrienden maak heb ik geen verantwoording af te leggen over mijn keuze, e.d.m. Omgekeerd moet ik dergelijke keuzen van anderen aanvaarden : aanvaarden dat de begeerde mij niet huwt, dat ik niet wordt opgenomen in een vriendschap of vereniging, e.d.m. Kortom, alle menselijke waarden zoals liefde en vriendschap, eerbied en trouw, waarheidsliefde en dankbaarheid kunnen slechts bestaan bij gratie van diskriminatie.

Elk diskriminatieverbod tussen partikulieren - ook wanneer het afgezwakt zou worden tot "homoseksualiteit" alleen in plaats van gelijk welke "seksuele of relationele voorkeur" - is, voor zover het iets toevoegt aan het verbod om andermans rechten te schenden (en dat is duidelijk de bedoeling van het wetsvoorstel, anders zou het nutteloos zijn), totalitair in de hogerbeschreven zin : het impliceert namelijk dat een gedraging die als dusdanig géén schending is van andermans rechten - d.w.z. los van de mogelijke "bijzondere" kenmerken van die ander zoals een bijzondere seksuele of relationale voorkeur - alléén omwille van dat bijzondere kenmerk van die ander onrechtmatig wordt. In een rechtsstaat - anders dan in een totalitaire staat - hebben partikulieren inderdaad in de meeste gevallen (monopolies uitgezonderd) nog altijd geen récht op de levering van een dienst, van een goed of van het genot ervan, wanneer zulks door een andere partikulier wordt aangeboden. Het wetsvoorstel nu zou maken dat een partikulier, die buiten de genoemde uitzondering nog altijd mag weigeren mij een dienst te verlenen om welke reden ook - inbegrepen redenen zoals mijn zwaarlijvigheid, lelijkheid, leeftijd, gestalte, stemgeluid, lijfgeur, haarkleur, of gewoonweg dat mijn gezicht hem niet aanstaat - dit niet meer zou mogen doen omwille van mijn bijzondere seksuele of relationele voorkeur of beleving (6). Dit is dus vlakaf een voorkeursbehandeling voor eenieder met een bijzondere seksuele of relationele voorkeur, partisan-tolerance dus.

De overheid mag de vrijheid van partikulieren wel reglementeren door het opleggen van gedragsregels, maar het moet dan wel gaan om gedragsregels die voor iedereen gelden. Indien de overheid het samenleven regelt door b.v. geluidsoverlast te verbieden, dan kan mijn buurman mij verplichten om niet meer lawaai te maken dan die norm. Maar dan is het wel kompleet irrelevant of hij de geluidsoverschrijding tolereert als zij het gevolg is van een relationele voorkeur die gelijk is aan de zijne en niet tolereert als zij het gevolg is van een afwijkende relationele voorkeur.

door mr. Matthias E. STORME


(1) Ik verwijs hierbij graag naar eerdere kritiek, zeer terecht, vanwege b.v. Mark van de VOORDE, Kerk en Leven 12-6-1996, A. COLEN, de Standaard 25-5-1996, F. VERLEYEN, "De gedachtenpolitie", Knack 12 juni 1996, F. KEULENEER, in Katholiek Nieuwsblad 7 juni 1996, en van F. KEULENEER, H. ARTS en mezelf in de Standaard 19-61996.

(2) Arbitragehof 13 juli 1989, nr. 21/89, B.S. 21 juli 1989, 12781; zie ook het eindarrest 13 oktober 1989, nr. 23/89, B.S., 8 november 1989, 18397, R.R.D., 1989, 619 noot DELGRANGE, X., "Quand la Cour d'Arbitrage s'inspire de la Cour de Strasbourg".

(3) Deze definitie is gewoon overgenomen uit teksten van ekstreem-fundamentalistische elementen uit de homobeweging.

(4) Volgens dit wetsvoorstel is b.v. elk lid van een ziekenfonds, dat huwelijkspremies uitkeert, (en dus herhaaldelijk diskriminatie bedrijft op grond van relationele voorkeur) strafbaar met één jaar gevangenisstraf. (zie art 3 juncto 5 van het voorstel).

(5) Zie de voorbeelden gegeven in de bijdragen aangehaald in voetnoot 1. Het volstaat misschien erop te wijzen dat élke in de katolieke kerk gedoopte, die geen ontslag heeft genomen uit de kerk, - en dus niet alleen de bisschoppen - op grond van art. 1 juncto 5 van het voorstel één jaar gevangenisstraf kan krijgen, vermits hij lid is van een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk op grond van geslacht een onderscheid maakt in de zin van art. 1 van het voorstel.

(6) Dat het wetsvoorstel de kontraktsvrijheid ten volle zou laten bestaan, is volledig in strijd met art. 3 en 4 van het voorstel dat elke diskriminatie (in de ruimste zin) bij het leveren of aanbieden van een dienst of goed, bij arbeidsbemiddeling, aanwerving e.d.m. straft met gevangenisstraf tot één jaar !

Vrijtekening : informatie op deze bladzijden is geen officiële KULeuven-informatie en kan geen aanleiding geven tot enige aanspraak jegens de auteur of verstrekker.
Disclaimer: Information provided here does not reflect official KU Leuven viewpoints nor gives rise to any claim against the author or provider