Uit de F.E.T. (Tijd) van 5 juni 2002
CULTUUR: CONSUMPTIE-ARTIKEL OF ZINGEVING IN GEMEENSCHAP?
De Vlaamse regering nodigt uit mee te denken over het Vlaanderen
van 2020 en wil de komende maand debatteren over "cultuur
en samenleving". Graag gaan we hierop in met een stellingname
over de uitgangspunten voor een cultuurbeleid, al kan het zijn
dat die lijnrecht ingaan tegen datgeen waar "paarsgroen"
voor staat...
1. De mens wordt maar mede-mens en dus echt mens door de cultuur
in ruime zin. Deze betreft alles wat betekenis (zin) schept in
het leven: schoonheid, kennis, vormgeving van het goede leven,
zingeving die ons individueel leven overstijgt. Cultuur vindt
zijn neerslag in materieel erfgoed (monumenten, kunstwerken, literatuur)
en immaterieel erfgoed (waaronder i.h.b. de volkscultuur). Al
kunnen grote individuele geesten een belangrijke rol spelen, gaat
cultuur toch op de eerste plaats over het samen-leven van mensen
en het betekenis scheppen die ook door anderen kan worden gedeeld.
Cultuur is voor een klein deel individueel geschapen, voor een
groot deel overgedragen tussen mensen, als een dynamisch - d.i.
zich steeds ontwikkelend - gegeven.
2. Ook al moet worden gestreefd naar een grote kwaliteit van de
cultuuruitingen, toch is de cultuur niet op de eerste plaats een
sector die (culturele) producten moet voortbrengen
waarmee men economisch competitief is en die door burgers geconsumeerd
worden. Dat is nochtans het dominante discours, dat in termen
van productie en consumptie van cultuur denkt. Cultuur gaat op
de eerste plaats over sociale verbanden waarbinnen en waardoor
mensen kunnen groeien in menselijke waarden (onderwijs, cultuur),
in gemeenschap zichzelf kunnen zijn - d.w.z. zich kunnen ontplooien
en hun gezamenlijke identiteit beleven (kunst, sport, socio-cultureel
leven), zorg voor en solidariteit met elkaar uitbouwen, en zin
(betekenis) stichten.
3. Vlaanderen heeft een rijk socio-cultureel leven, waarin mensen
zich vrijwillig verenigen. Dit is zeer belangrijk voor het functioneren
van een democratie. Cultuur wordt ook beleefd en overgedragen
in sociale verbanden die niet of maar ten dele op vrijwilligheid
zijn gegrond, zoals het gezin, de buurt, de beroepsgroep. Ook
zij hebben een belangrijke rol te spelen in de gemeenschapsvorming
en de cultuur. Het belang ervan mag niet worden herleid tot de
kwaliteit van hun prestaties of materiële producten.
4. Cultuur verarmt wanneer zij onvoldoende uitwisseling met andere
culturen organiseert, maar ook wanneer zij de invoer van het vreemde
louter ondergaat en niet integreert binnen de eigen traditie en
leefwereld.
Wat betekenen deze uitgangspunten voor een cultuurbeleid ?
1.Culturele ontplooiing is geen zaak van individuele rechten,
wel van sociale verbanden op verschillende niveau's, van het gezin
over vereniging, school en beroepsgroep, de natie, tot Europa
en de wereld, waarbinnen mensen gezamenlijk zichzelf kunnen zijn,
meer mens worden, en betekenis aanleren, stichten en doorgeven.
Cultuurbeleid moet niet zozeer gericht zijn op de individuele
"consumptie" van cultuur, maar wel op dit gezamenlijke
be-leven. Het moet veeleer de actieve dan de passieve cultuurparticipatie
ondersteunen.
2. Cultuur in de ruimste zin (kunst, wetenschap, verenigingsleven,
onderwijs, pers, religie en levensbeschouwing) moet een zaak zijn
van de burgerlijke maatschappij, niet van de overheid. De overheid
dient de bestaande sociale verbanden te ondersteunen (zowel de
vrijwillige als de onvrijwillige kringen waarin we leven) en de
organisatie van nieuwe aan te moedigen, en daarbij in beginsel
de grootst mogelijke vrijheid laten. De grondvrijheden zoals de
vrijheid van onderwijs, vereniging, meningsuiting godsdienst en
geweten moeten dus weer worden versterkt. Natuurlijk moeten die
sociale verbanden wel eerbied hebben voor de vrijheid, het leven,
de gezondheid en veiligheid, de eigendom, en de eer en goede naam
van derden.
3. De taak van de overheid bestaat er niet in om zelf die sociale
verbanden te organiseren, maar wel a) publieke goederen te scheppen
die de mogelijkheden van het vrij initiatief te boven gaan (vnl.
culturele infrastructuur; behoud van het materieel erfgoed); b)
culturele zelforganisatie financieel te bevorderen zonder zich
met de inhoud te moeien; c) ervoor te zorgen dat het immaterieel
erfgoed niet gemarginaliseerd wordt tot een museaal relict uit
het verleden dat geen maatschappelijke rol meer te spelen heeft;
volkscultuur is even belangrijk als de elitaire cultuur van internationale
kwaliteitsprodukten; d) inclusie en participatie van achtergestelde
personen te bevorderen, niet door het instandhouden van minderheden
maar wel door hen te ingegreren.
4. Een minimum aan culturele cohesie moet gevrijwaard blijven
van zowel de Vlaamse gemeenschap in zijn geheel als van de lokale
gemeenschappen als "inclusieve gemeenschappen", zodat
deze niet cultureel of sociaal "gebalkaniseerd" geraken.
De hele Vlaamse gemeenschap moet zich als Gemeenschap kunnen herkennen.
Een beleid van natievorming blijft zinvol als het vanuit dat perspectief
wordt gevoerd.
5. Het beleid moet de internationale uitwisseling tussen culturele
verbanden bevorderen. Uitstraling van de Vlaamse cultuur in het
buitenland zal de Vlamingen ook meer mogelijkheden geven zich
door uitwisseling met andere culturen te verrijken.
6. Het beleid moet respect bijbrengen voor de cultuuruitingen
in de ruimste zin (inb. de tekens en symbolen) van andere culturen
zowel als respect eisen voor de tekens en symbolen die ons tot
Vlamingen getekend hebben. Tolerantie kan vanzelfsprekend niet
inhouden dat de tekens uit onze geschiedenis en cultuur uit de
publieke sfeer moeten verdwijnen, en dat wij niet voor onze waarden
en symbolen zouden mogen staan. We hebben nood aan een begrip
van tolerantie dat staat voor respect voor verschillen en niet
voor (opgelegde) onverschilligheid.
Prof. Matthias E. Storme (de auteur is jurist en filosoof en
hoogleraar aan de KU Leuven en Universiteit Antwerpen).